Weblog San F. Yezerskiy

Indignado

21 / 10 / 2011
In de compleet verkeerde veronderstelling dat ik af en toe ook wel eens nadenk over de grote wereldproblemen, in plaats van mij alleen maar bezig te houden met mijn eigen, kleine, persoonlijke sores, hebben verschillende mensen mij de afgelopen week gevraagd hoe ik nu precies dacht over het protest van de Occupy Wall Street-beweging en de Indignados in Europa. Die vraag kwam telkens van jongere mensen, die zichtbaar enthousiast waren geworden van de beelden op het journaal en geloofden dat we misschien wel aan de vooravond stonden van iets groots, dat de betogingen die vandaag in de grote Westerse steden uitbreken misschien wel iets wezenlijks in gang zullen zetten.

Elke keer heb ik een beetje bedremmeld mijn schouders opgehaald, en gezegd dat ik daar ook allemaal niets van af weet. Dat ik de laatste maand maar één opvallende verandering heb gemerkt in de financiële wereld: toen Dexia in opspraak kwam door haar rommelkredieten, heeft het Brusselse personeel van de ene dag op de andere alle Post-it Wars werkstukjes van haar vensters weggehaald.

Veel te diffuus

Maar ach, natuurlijk heb ik ze wel met veel aandacht gevolgd, de berichten over de jongeren die eerst in Madrid en daarna in Brussel in groter getale dan verwacht samenkwamen om hun ongenoegen uit te schreeuwen en een eerlijker systeem te eisen. Vind ik het knap dat zij daarvoor op straat komen en willen overnachten in een ijskoud park? Jazeker. Ben ik ervan overtuigd dat zij ook maar het minste zullen kunnen veranderen? Verre van.

De Indignados zijn in hetzelfde bedje ziek als de iets minder mediagenieke groep die enkele maanden geleden de Shame-betoging opzette: zij weten zeer goed waar ze tégen zijn, maar kunnen zelf geen werkbaar alternatief aanbieden. Omdat de beweging er expliciet voor kiest om geen leiders of woordvoerders aan te duiden, klinken haar eisen veel te diffuus. De acties worden gecoördineerd door een dagelijkse “directe vergadering”, maar de beperkingen daarvan kon je al meteen zien aan de staat waarin de demonstranten het HUB-gebouw achterlieten waar zij tijdelijk onderdak vonden. Een beweging die niet kan ingrijpen wanneer een tiental onverlaten piemels begint te tekenen op de muren van een universiteitsbibliotheek, vertrouw ik ook niet meteen om daarna een volledig nieuw politiek en financieel systeem uit te werken.

Veel erger dan dat geloof ik niet dat het nog mogelijk is. Hoe talrijk de 99% in absolute cijfers ook zijn, het zal hen, ons, nooit lukken om de financiële Golem die wij hebben gecreëerd weer op de knieën te krijgen.

Jaloers

En net daarom ben ik dan toch zo verschrikkelijk jaloers op die jongens en meisjes: niet om wat ze effectief kunnen veranderen, maar omdat ze tenminste proberen. Omdat ze bereid zijn om zich door een politieman in het gezicht te laten schoppen in ruil voor de kans om hun verontwaardiging uit te schreeuwen. Omdat ik weet dat zij het in se bij het rechte eind hebben, maar alleen hun oplossingen wat knullig verwoorden. Omdat zij tenminste nog het gevoel hebben dat alles beter en eerlijker zou kunnen – een gevoel dat ik zelf jaren geleden verloren ben maar dat ik me, als ik maar hard genoeg probeer, nog perfect voor de geest kan halen.

San F. Yezerskiy

www.soren.be

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u nstemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod

Verslaafd aan reality-tv

07 / 10 / 2011

Het doet pijn om het toe te geven, maar ik ben verslaafd aan reality-tv. Ik kan zelfs niet meer het excuus gebruiken dat ik alleen maar kijk uit nieuwsgierigheid of leedvermaak, daarvoor is het ondertussen al te laat. Ik heb echt een ernstig probleem.

Ik denk dat het hiermee te maken heeft: voor mijn dagtaak zit ik van negen tot vijf bedolven onder kunstfilms, waarin zo zwaarwichtig mogelijke onderwerpen worden behandeld middels ultra-trage, minutieus uitgedachte beelden. Als ik dan ‘s avonds vanuit mijn zetel ergens een camera slordig in het rond zie zwiepen in een poging om een man te volgen die honderduit praat over zijn cuisson dan wel gevoelens, in een streektaal die ik zelfs nog nooit heb gehóórd, dan wordt mijn brein daar rustig van. Tenminste: tot de eerste roes is uitgewerkt. Daarna begin ik mij te ergeren en tegen het einde van de avond vind ik mezelf terug in een schuimbekkende tirade tegen iedereen die aan dit soort programma’s meewerkt of er zelfs maar naar kijkt.

Zapperdezap

En toch lukt het mij niet om de televisie uit te zetten. Ik zap van Komen eten naar Boer zoekt vrouw en als daarna de BBC ook nog The Apprentice uitzendt, blijf ik wel wat later op. Sinds enkele weken betrap ik mezelf er zelfs op dat ik in het weekend via een piepklein YouTube-schermpje complete afleveringen zit te streamen van Holland in da Hood, een nieuw uitlachformat van een Nederlandse commerciële zender. In dit sociale experiment wordt een klein dozijn polderhiphoppers naar Los Angeles gestuurd om te kijken of zij daar, als blanksten aller blanken, kunnen overleven. (Spoiler: neen.) Het is zo tenenkrullend slecht dat ik bijna uit elkaar spat van plaatsvervangende schaamte wanneer ik die jongens hun stoere machopraat hoor uitkramen in het plat Limburgs, gelardeerd met Engelse uitdrukkingen die zij ergens in een film hebben opgevangen en nu krampachtig hun keel uit forceren. Maar ik kan het niet uitzetten.

(Oh, wat hoop ik dat er niet echt een god bestaat, die mij aan het einde van mijn leven bij zich zal roepen en zal vragen: “waar is dat boek dat gij ging schrijven, en wat is er gebeurd met alle troost die gij uw vrienden had kunnen schenken?” Als antwoord zal ik verlegen naar mijn schoenen staren en stamelen: “ja, Heer, ik was dat allemaal wel van plan, maar die week was er juist een man op Komen eten in een felgele sweater die tegen iedereen loog over wat hij kon.”)

Lelijke tv

Nu de gloriejaren van het genre voorbij zijn, is reality-tv trouwens nog veel lelijker geworden, en zorgvuldiger gescript dan de meeste fictie. Deelnemers komen niet meer met hun eigen huis op tv, maar lenen een villa die beter past bij het imago dat ze zich willen aanmeten. Ze presenteren, zingen en dansen tijdens het koken, in de hoop dat iemand, wie dan ook, hun een nieuwe carrière zal schenken. Er bestaat zelfs een select clubje van realityveteranen die zich inschrijven voor élk programma dat nieuwe kandidaten zoekt – alsof ze bij elke oproep een lang vergeten talent herontdekken. Misschien wordt het tijd dat we speciaal voor hen een nieuwe regel invoeren: ieder van ons krijgt een bonnetje voor een deelname aan één realityshow naar keuze. Wie zich daarna nog voor een tweede programma inschrijft, wordt stante pede vogelvrij verklaard. De bloedige, meedogenloze jacht die daarop volgt, zenden we op haar beurt in primetime uit op VT4.

Ik zou daarnaar kijken.

San F. Yezerskiy

www.soren.be

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u nstemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod

Geklauw in het ijle

23 / 09 / 2011
“Ja, voor jullie is het gemakkelijk!” Nooit eerder werd de frustratie van het Vlaams Belang zo treffend verwoord als in die ene uitroep van senator Bart Laeremans zondag. Toen de VRT een kort interview wilde afnemen van de N-VA-delegatie op de betoging in Linkebeek, probeerde een aantal Vlaams Belangers zich koste wat kost mee in beeld te wurmen. Na wat duw- en trekwerk en licht gescheld kwam de ware reden hiervoor naar boven: “voor jullie is het gemakkelijk.” Afgunst. De N-VA heeft alles bereikt wat het Belang zo graag zelf had willen hebben.

Niet alleen zetten de Vlaams Belangers zichzelf voor schut, ook de andere aanwezigen vonden het leuk om de indringers in hun gezicht uit te lachen. Eén betoger hield uitdagend zijn ballon voor het hoofd van Filip Dewinter, en opnieuw, en een derde keer, tot grote ergernis van het voormalige enfant terrible van de Belgische politiek.

Was het echt zo’n zielige vertoning? We bekijken de video nog eens: Gerolf Annemans staat ergens op de derde rij, ik vermoed op de tippen van zijn tenen, verwoede pogingen te doen om boven de schouders van de omstaanders uit te komen. Bruno Valkeniers is als vermeende voorzitter bijna onzichtbaar. Bart Laeremans laat zich het hardst opmerken, maar wordt door iedereen genegeerd, zoals je dat met een opdringerige kleuter doet.

Dit fragment van drie minuten maakt pijnlijk duidelijk wat we allemaal al langer vermoedden: het rijk van het Vlaams Belang is uit. Twintig jaar zijn er gepasseerd sinds de eerste zwarte zondag en het is vandaag moeilijker dan ooit om de partij nog serieus te nemen. Vroeger de schrik, nu de risee van Vlaanderen.

Want aan de rechterzijde is een nieuwe koning opgestaan, die bij elke verkiezing iets meer stemmen naar zich toetrekt. De interne druk zorgt voor de ene ruzie na de andere. Dissidenten scheuren zich af of worden buitengewerkt, terwijl de hardliners aan de top zich hardnekkig vastklampen aan hun imago van twee decennia geleden. De enige acties waarmee zij nog de media halen, zijn nietsbetekenende gimmicks. Straatnaambordjes overplakken, barbecuen op het dak van een moskee, een televisieuitzending verstoren. Het zijn kwajongensstreken, die in niets nog doen terugdenken aan de grote statements en de affiches met bokshandschoenen van weleer.

Het zijn die bokshandschoenen die wat er vandaag gebeurt zo cliché maken. Het lijkt inderdaad wel zo’n typische scène uit een B-film over een oude prijsvechter. Ooit was hij de absolute top, maar nu brengt hij zijn avonden stomdronken door op café, waar hij verhalen vertelt over zijn vroegere successen. Wanneer hij echt te veel op heeft, begint hij de andere klanten uit te dagen, allemaal mannen half zo oud als hijzelf, die even opkijken, met hun ogen rollen en de vergane glorie verder laten razen.

Tenzij Antwerpen 2012 nog een verrassing brengt, is het over en uit voor het Vlaams Belang. Het laatste wat wij ons dan van de partij zullen herinneren, is hoe haar boegbeelden zichzelf wanhopig in beeld wurmden tijdens iemand anders’ interview. Even weinig eervol als zij al die jaren politiek hadden bedreven.

www.soren.be

Achttien

09 / 09 / 2011
Als ze hadden geweten dat de televisie er zou zijn, zouden ze wel iets anders hebben aangetrokken, de vers afgestudeerde achttienjarigen die al op de ochtend van de eerste inschrijvingsdag stonden aan te schuiven aan de Leuvense Universiteitshallen. Zomer of niet, een korte broek en polohemdje stralen altijd minder ambitie uit dan je graag zou willen.

Ambitie hadden zij nochtans met hopen. Elk van de geïnterviewde jongeren was vastbesloten om later in het bedrijfsleven te stappen en de universiteit leek hen in dat geval de snelste weg naar een goede job. Zeker vandaag: in tijden van crisis kan je maar beter voor zekerheid kiezen.

Het kostte mij weinig moeite om in hen mijzelf te herkennen, en hoe ik precies tien jaar geleden op dezelfde plaats in de rij stond met een hoofd vol vage plannen. Toegegeven, mijn ambitie was iets minder groot – ik heb toch vooral voor de universiteit gekozen omdat daar meer meisjes zaten –, maar ik deelde wel hun naïeve geloof dat met een diploma het leven relatief vlot zou verlopen.

De ontnuchtering kwam er tijdens mijn eerste sollicitatie. Het was herfst, en het werd al donker toen ik ’s avonds de hal binnenliep van een groot overheidsgebouw aan het Brusselse Noordstation. Ik droeg een pasgekocht jasje met krijtstreep en voelde mij relatief ontspannen. In de wachtkamer doorbladerde ik het magazine waarvoor ik binnenkort ongetwijfeld artikels zou mogen schrijven. Een secretaresse kwam mij ophalen en hield de deur open naar een kleine vergaderruimte, die bijna volledig werd gevuld door een gigantisch ovalen bureau, van waarachter een jury van zeven mensen mij sceptisch aankeek. Tegenover hen stond één lege stoel.

Nog voor ik goed en wel gaan zitten was, opende het zevental een spervuur van technische vragen over een functie waarvan ik niet eens zeker wist wat ze zoal inhield. Ik bleef glimlachen, want ik had ergens gelezen dat dat moest, en hakkelde en stamelde wat antwoorden bij elkaar. Nog geen half uur later zat ik volledig perplex tussen honderden pendelaars op de trein terug naar huis. Een situatie waaraan ik voorlopig nog niet zou moeten wennen.

Die avond werd het begin van jaren van interimjobs, die mij op de gekste plaatsen brachten en mij de meest bizarre anekdotes opleverden. ’s Avonds op café vertelde ik die dan verder, in ruil voor gratis bier dat ik afluisde van vrienden die na de hogeschool wél vast werk hadden gevonden.

De universiteit leert je alles, behalve dat elke job uiteindelijk toch maar neerkomt op koffie drinken, rondlummelen in Outlook en het papier van de printer bijvullen. De universiteit leert je niet hoe je zelfverzekerdheid moet veinzen tijdens een sollicitatiegesprek en garandeert je zeker geen goede job.

Jong zijn en al vast werk hebben, dát is de snelste weg naar een goede job. Maar vertel dat alsjeblief niet aan die achttienjarigen die vandaag aan de Universiteitshallen staan te trappelen van ongeduld. Ze zijn zo jong en enthousiast en ze ruiken nog zo nieuw.

www.soren.be

Overzomeren

31 / 05 / 2011

Het was vlak voor de zomervakantie dat ik vorig jaar, op deze plaats, voor het eerst liet weten dat ik het beu was. De regering had vervroegde verkiezingen aangekondigd en daarvoor zou ik nog wel gaan stemmen, maar daarna moesten ze het zelf maar uitzoeken. Ik liet het nieuws drie maanden links liggen. Ik zou het allemaal wel bekijken wanneer ik terugkwam.

In september leek het alsof de tijd had stilgestaan.

Er werd gewacht, geschaakt, naar elkaar gekeken. Er werd heel vaak heel verontwaardigd gereageerd en op de achtergrond bleef een regering zitten die niemand nog wilde, en die pas beslissingen is beginnen te nemen wanneer haar officiële mandaat al was afgelopen. Zij werd geleid door een premier die alleen in persmededelingen kon spreken, kritische vragen afwimpelde met een droog “geen commentaar” en bedankjes verwachtte omdat hij het land niet helemaal in de afgrond stortte.

Het wachten bleef duren. Er werden records gebroken en kiezers riepen dat ze het beu waren. Enkelen onder hen zetten voorzichtige protestacties op – versplinterde initiatieven, elk met hun eigen programma maar steeds zonder alternatief. Onze eigen facebookrevolutie naar zuiders model beperkte zich tot een klein dozijn verdwaalde tentjes op een Brussels grasveld. De nederlaag van het “maybe attending”. Een volk dat alleen in het stemhokje mort, krijgt leiders die zo onzichtbaar mogelijk willen zijn.

De berichten over de impasse begonnen iedereen te vervelen. We keken weer naar buiten en voor heel even leken de ingreep in Libië of de kernramp in Japan alles weer in zijn juiste perspectief te plaatsen, maar na een paar weken haalden ook zij de hoofdpunten niet meer. Een Amerikaanse priester voorspelde het einde van de wereld, maar zo gemakkelijk kwamen we er niet van af.

Ondertussen werden bemiddelaars aangesteld om te tijd te doden, veel tijd te doden. Tegen ieders verwachting in kwam er dan toch een formateur en die besloot om naast onze stemmen nu zelfs de zíjne naast zich neer te leggen. Met de laatste woorden die hij uitsprak, liet hij optekenen dat hij “geen enkele druk” voelde om zijn opdracht af te ronden en ik vroeg mij af hoe hij het in godsnaam over zijn lippen kreeg.

Het is onrustwekkend gemakkelijk om een jaar te verliezen. En als ik na nóg een jaar op deze plaats of een andere terugkijk naar vandaag, zal ik dan wel verandering zien?

Ik durf het erop te wagen dat er in de volgende maanden niets meer zal bewegen. Ik overzomer zonder analyses, zonder kranten, zonder deadlines, zonder meningen. Ik zal mijn stem niet gebruiken, mij onder geen enkele druk laten zetten. En na de zomer zie ik jullie weer, hier of elders, en dan hebben we het opnieuw over alles wat er niet gebeurt.

San F. Yezerskiy

www.soren.be